Zondag 25 juli 2010
Vanaf Canterbury: 1680 km
Tot Rome: 403 km
Vanmorgen sinds lange tijd weer eens een fatsoenlijk ontbijt gehad. Heb wel het idee dat ik het hele ontbijt voor alle hotelgasten heb opgegeten,maar goed. Niet alleen een brioche (die overigens nog warm was) en een stukje taart (begrijp niet dat Italianen ontbijten met taart), maar ook lekker vers brood met salami en kaas. En dat is heel lang gelden dat ik dat gegeten heb. Door de hitte kun je met de overgebleven kaas na een dag kaasfonduen. Die loopt letterlijk je tas uit. Die koop ik dus maar niet meer.
Ik zeg de aardige hotelmevrouw en de in Nederland gewoond hebbende nachtwaker gedag en loop richting Lucca. Ik ga niet weer terug en de officiële weg vervolgen. Het is zondag en ik denk dat deze weg ook wel rustig is. En dat klopt. Uiteraard mijn favoriete wielrenners weer. Vandaag hebben ze alleen niet zoveel gedag gezegd; alleen maar gekeken tot hun ogen er bijna uitrolden. En ook veel mensen die al ‘s morgens vroeg hun tuintje staan te sproeien. Ik realiseer me dat Italianen ook niet uit zichzelf gedag zeggen, zoals de Fransen dat deden. Maar als jij goedendag zegt, zeggen ze blij verrast goedendag terug. In tegenstelling tot de Zwitsers die ervan schrokken en baalden dat ze wat moesten zeggen.
Ik kom Lucca nu niet via de rivier binnen. Leek mee eigenlijk wel leuk, omdat ik daar vorig jaar heb gefietst. Ik kom nu wel de poort binnen die dicht bij de VVV is. Toch prettig dat ik een beetje de weg ken. Daar vraag ik naar accommodatiemogelijkheden in Altopascio. Ik wil iets gereserveerd hebben voordat ik ernaar toe loop. Ik vind het inmiddels een te groot risico om op de bonnefooi te gaan. Ook omdat het zondag is, en veel dicht is. De kerk en de VVV ter plaatse nemen niet op; echt goedkoop slapen lukt dus niet. Maar er is nog een hotel dat een speciaal pelgrimstarief hanteert. Prima: doe maar. Dan loop ik eerst naar mijn ‘stamkroeg’. Een aantal jaar geleden toen ik met mijn vakantiemaatje Roos voor de eerste keer in Lucca was, zijn we daar vaak geweest. Toen we er vorig jaar weer waren, zijn we er in eerste instantie tien keer voorbij gefietst en gelopen en konden we het niet vinden. Maar uiteindelijk hebben we er weer vaak een brioche gehaald. Daarna loop ik verder naar de Duomo San Michele, een kerk met een prachtige façade, zeker nu in de zon. Aan de zijkant in de schaduw eet ik er wat. Van de ene kant komt af en toe gezang uit de kerk; van de andere kant speelt iemand prachtig accordeon. En dan niet van die kermismuziek, maar echt mooi. Wat is het toch een mooie en leuke stad. Er zijn redelijk wat toeristen, maar ze overheersen niet. Wat jammer dat ik hier niet een dagje heb kunnen rusten. Ik blijf lang zitten en geniet. De slaapplaats is ten slotte geregeld. En met een beetje geluk kan ik daar twee nachten blijven. Dan maakt het helemaal niet uit hoe laat ik aan kom. Via de kathedraal loop ik Lucca weer uit. Aan de buitenkant van de kathedraal zit een labyrint; het pelgrimssymbool. Niet te verwarren met een doolhof waarin je de weg kwijt raakt, maar om de weg juist te volgen en het doel uiteindelijk te bereiken. Er is een mis gaande en je moet als toerist (en ook als pelgrim) achterin blijven staan. En dan is het echt tijd om Lucca weer te verlaten. Nog 18 km te gaan naar Altopascio. En al een hele tijd zie ik donkere luchten, maar die lijken niet te bewegen. Tussendoor nog even een kleine eetstop, via een moeilijk te vinden pad richting een begraafplaats en een alleraardigst kerkje en abdij. Daterend uit 1056 en nu omgeven door steunpilaren tegen het instorten. Van binnen zijn de schilderingen nog te zien. Jammer dat ze het niet opknappen. En zo loop ik Altopascio binnen, als ik toch echt de eerste regendruppels voel. Onder de beschermende galerijen blijf ik nog redelijk droog. Op het moment dat ik mijn hotelkamer binnenstap hoost het. Precies op tijd.
In het hotel kan ik op zondag niet eten. En dus ga ik het centrum in. Het is druk. Op een leuk pleintje schuif ik maar eens aan. Er staan allemaal stoelen op het pleintje; er lijkt iets spannends te gaan gebeuren. Ik zit met mijn neus vooraan. Dat heb ik al eerder meegemaakt. Als je alleen bent, krijg je een rotplek: of helemaal aan de kant, of helemaal vooraan. De vorige keer werd ik buiten het terras geplaatst, en nu zit ik dus helemaal vooraan. Ik probeer nog aan te geven dat ik liever ergens anders zit, maar erg overtuigend kom ik niet over. Laat ook maar. En dan zie ik plotseling Glenda en Matteo. Zij komen er gezellig bij zitten en zo hebben we een leuke avond. Het blijkt vandaag Sint Jacobsdag te zijn, en dat wordt gevierd met een mis, een precessie, gratis pasta eten en een concert. En ik heb het allemaal gemist. Behalve dan dat pasta eten; ik ga echter niet in de rij staan, en betaal gewoon voor mijn pasta. In de Middeleeuwen was Altopascio een belangrijke pelgrimsplaats. De ‘Ospedale dei Cavalieri del Tau’ verwelkomde en hielp pelgrims die door de stad kwamen. De ridders hebben de Griekse letter Tau gekozen als symbool. En dat symbool kom je dan ook overal tegen. Ik slaap bijvoorbeeld in hotel Cavalieri del Tau. De orde bestaat niet meer, maar lijkt nog een belangrijke rol in Altopascio te hebben. Er is ook nog een kleine tentoonstelling van aquarellen, gemaakt door een pelgrim die er ook is. En Matteo kletst met iedereen, dus het gesprek is alweer aangegaan. Ik begrijp er geen hout van, maar lach maar vriendelijk terug. En dan komt zelfs de voorzitter van de VF vereniging nog even langs. Hij spreekt een beetje Engels, maar heeft niet heel veel belangstelling voor me. Ik maak enigszins indruk omdat ik in Canterbury ben begonnen, maar verder ben ik maar dom volk uit Nederland, waar de oorsprong van de Westerse beschaving toch echt niet ligt. Er gaat niets boven Groningen? In zijn geval gaat er niets boven Italië; dat is het middelpunt van de wereld. Nou ja, moet jij weten joh. Lekker belangrijk. Hij is trouwens ook van Canterbury naar Rome gelopen, maar heeft dat in drie etappes gedaan. Hij is dan wel weer door naar Jeruzalem gegaan.
En zo nemen we weer afscheid. Glenda en Matteo gaan morgen naar San Miniato, en ik overmorgen. Zij hopen de negende in Rome aan te komen, en gaan de elfde met de trein terug naar Milaan. Wie weet zien we elkaar nog.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten