Casa Santicchio - Chiusi della Verna
Gelopen: 13 km
(onderweg: 6 uur 45 min.)
Totaal: 139,2 km
Het ontbijt is
normaal gesproken pas vanaf 8.00 uur, maar het wordt voor mij om 7.30 uur al
klaargemaakt. Nou ja, ietsje later dan. Als ik beneden kom, is ze nog bezig.
Maar wel een hele pot thee voor mij, yoghurt en brood met zelfgemaakte
pruimenjam en perzikenjam. Mjammie, die zijn lekker. Ze heeft er niet of
nauwelijks suiker door gedaan, en dat merk je meteen. Alweer iemand die zegt
dat je de smaak van de ingrediënten beter proeft zonder zoveel suiker. En ze
heeft gelijk. Zowel de pruimen als de perziken proef je uitstekend. Ze blijken hier inmiddels zeven jaar te wonen. Het oudste deel dateert uit 1749. Toen ze er kwamen wonen, was een deel door een bom uit WO I verwoest. Aan de hand van tekeningen hebben ze het zoveel mogelijk naar het origineel gerestaureerd.
Eigenlijk moet je het zien alsof de plaats uit één huis bestaat. In de omgeving zijn er meer van. Het huis heeft een naam, dat is eigenlijk meteen de straat. Er is geen huisnummer, maar wel een plaatsnaam. In dit geval is het adres dus Casa Santicchio, Chiusi delle Verna. Ik hou van rust en stilte, maar dit vind ik toch wel erg veel eenzaamheid. Zoals ze zegt: de winter duurt lang. Die begint al in oktober en tot april kan er sneeuw liggen. In plaats van het gebruikelijke half uur dat ze erover doet om de kinderen naar school te brengen, kan dat zo maar oplopen tot een uur. Sneeuwkettingen om de banden en naar beneden schuiven. Als ik naar beneden loop en de weg zie waarover ze moet rijden, heb ik bewondering. Dit is alleen met een 4W drive te doen; en dan nog. Ze vraagt zich op die momenten dan ook af waarom ze hier woont. Maar als het dan zomer wordt, weet ze het weer. In de winter hebben ze overigens helemaal niets te doen. Hun baan bestaat uit de B&B in de zomer. Maar zaten ze vorig jaar in juli en augustus helemaal vol, is dat nu totaal niet het geval. En dat heb ik eerder gehoord. De crisis slaat hard toe.
Direct na Casa Santicchio
Ik krijg een
stempel, reken af en vertrek. De yoga jongens komen net hun bed uit. Ik hoef
gelukkig niet hetzelfde pad terug als gisteren. Ik kan over ‘de weg’. Voor
zover je dat dus een weg kunt noemen, maar goed. Ik ben in een half uur in
Rimbocchi. De bar is dicht, maar de bakker is open. Brood gekocht en gevraagd
of ik daar even naar de wc mocht. En dat mocht. Ik heb me geestelijk voorbereid
op de tocht der tochten. Dus laat maar komen. Het bordje geeft 2 uur en 55
minuten aan. Ik startte vandaag op zo’n 790 meter, ben nu gedaald naar 523
meter en moet stijgen naar 1180 meter. Het zou één tot 1,5 uur steil omhoog
lopen zijn en daarna wat minder heftig stijgen. En dat klopt wel. Ik loop
echter in de schaduw en dat scheelt een stuk. Het is zeker niet eenvoudig, maar
ik vond het een paar dagen geleden zwaarder. Het pad is redelijk goed
begaanbaar: niet te smal en niet glad. En wat een stilte weer. Ik hoop nu toch
nog wat wild te spotten. Ik heb alweer veel pootafdrukken gezien. Dan hoor ik
iets. Ik sta stil, luister nog een keer, loop weer verder, hoor weer iets, sta
weer stil, gluur om me heen en ik hoor echt wat. Schijtlaars; ik kom uit de
grote stad hoor. Ik vind het eigenlijk best eng. Ik zie niets en loop snel weer
door. Sjongejonge, held op sokken. Ik ga zelfs hallucineren. Ineens zie ik een
hond. Dat kan toch niet? Is het wel een hond? Is het niet een das, een
stekelvarken of noem nog eens wat. Nee, het is echt een hond; ik heb het toch
goed gezien. Hoe kan die nu hier lopen? Maar dan zie ik ook een meneer. Hij
laat zijn hond uit. Ik neem toch niet aan dat hij elke dag hetzelfde stuk loopt
als ik net gedaan heb. Even later kom ik op een asfaltweg uit en daar staan een
paar auto’s. Ah, nu begrijp ik het. Ik eet en drink wat en zie op een bordje
dat het nog 50 minuten lopen is. Hè, zo kort? Dan loop ik het in minder dan 3
uur. De yoga-jongens hebben dit gisteren heen en terug gelopen. Nou, dat vind
ik ineens veel minder indrukwekkend. Gisteren zei er een al: we hebben van
13.00 tot 15.00 in de brandende zon gewandeld en moesten omhoog. Ja, dus, dacht
ik toen? Ik doe dat elke dag. Pff, watjes.
Over het laatste
stuk doe ik wel wat langer dan 50 minuten. Ik blijf maar om me heen kijken en
foto’s maken. Ik probeer er ook nog een met de zelfontspanner. Dat blijkt nog
niet zo eenvoudig. Ik kan het fototoestel op een steen zetten en heb 10
seconden om in de goede pose te gaan staan. Zit ik toch zeker vijf seconden met
mijn voet vast in een tak, ‘ren’ dan met mijn stokken en rugzak op omhoog en
klik. Hm, nog best aardig gelukt. Ik moet wel om mezelf lachen.
Vlak voor het bereiken van La Verna
12 uur in La Verna
En dan kom ik bij het klooster. Langs een rots doemt een gebouw op. Als ik door de poort ben, gaan de klokken luiden: het is 12 uur. Ik vind het een mooi moment. Ik loop omhoog naar het huisje waar Franciscus door de vogels begroet zou zijn toen hij La Verna betrad. Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Ik word de hele weg al vergezeld door vogels. Maar goed. Op naar de ingang. En toch vind ik het ineens bijzonder. Al vind ik die Franciscus dan een flapdrol, dit maakt wel indruk. Ik weet niet waarom. Het is niet groot, niet bijzonder mooi, maar het is hoog. Ik kom uit op een pleintje, met toeristen, gehandicapten in rolstoelen (het lijkt wel Lourdes) en Franciscaanse monniken. Ik weet niet zo goed waar ik naartoe moet. Dan hoor ik orgelmuziek uit de kerk komen. Daar maar naartoe. Ik neem achterin plaats en iemand is aan het oefenen, of aan het stemmen (ik weet niet of en hoe je dat op een kerkorgel doet). Er wordt wat gepraat en een jongen neemt plaats achter het orgel. Er moeten foto’s van hem gemaakt worden, en dan gaat hij helemaal los op het orgel. Ik denk dat hij organist is en de dag van zijn leven heeft, omdat hij even op het kerkorgel van La Verna mag spelen. Dolgelukkig staat hij zijn plaats weer af aan de organist. En ik? De tranen stromen over mijn wangen. Kerken en muziek, het blijft een bijzondere combinatie.
Orgelmuziek in de basiliek van La Verna
Maar ja, dan is
het dus wel 12.00 uur geweest en gaat alles dicht; althans het winkeltje en het
museum. Als ik hier wil slapen, moet ik zeker tot 14.00 uur wachten. En als ik
hier niet wil slapen, heb ik genoeg tijd om naar Chiusi della Verna te lopen.
Dat is nog maar één of twee km. Dit zou een megacomplex moeten zijn, maar daar
zie je niets van. Ik loop nog wat rond, maar kom niet veel verder. En dus eet
ik de rest van mijn lunch op en wacht in de zon tot het 14.00 uur is. Ga daarna
het winkeltje in; dat blijkt een rommelmarkt te zijn. En het museum; dat is wel
leuk. Aan de bejaarde non daar vraag ik hoe ik een stempel kan krijgen. En ze
stiefelt met me naar het complex achter het museum. En daar blijkt nog een hele
wereld op zich te zijn. Dit is het deel waar de accommodatie is. Een grote
eetzaal, een bar, en dus ook iemand die me een stempel kan geven. Dat overziend
te hebben, besluit ik om door te lopen naar Chiusi della Verna en daar een
albergo te nemen. Ik vind het hier te druk, en dat uitzicht heb ik gisteravond
al gehad. En dus loop ik na een cola en een flesje pelgrimslikeur gekocht te
hebben weer terug naar de ingang en daal verder af naar het dorp.
Albergo Letizia is
vrij snel gevonden. Daar het dagelijkse ritueel: uitwasemen op bed, verhaal
schrijven en de iGotU opladen, douchen en naar beneden. Daar lees ik wat tot
het tijd is om te eten. Ook hier eet iedereen weer tegelijkertijd. Voor de
derde dag op rij eet ik geen pasta. Nu een risottosalade als primo, iets van
kip met spek, courgette, aardappelpuree en sla als secondo en kersen als
toetje. Niet heel hoogstaand, maar verder uitstekend.
Ik zit naast
signor Carlos. Een man van halverwege/eind 80 schat ik, en een beetje doof. Hij
woont in Rome en komt al jaren hier zo’n drie weken de zomer doorbrengen, omdat
het in Rome te warm is. Hij houdt van rust, de natuur en kunst. Voor de kunst
gaat hij met de bus naar la Verna. Om de terracotta versieringen van Andrea
della Robbio te bekijken. Die hebben vaak een felblauwe achtergrond met witte
bijbelfiguren en versieringen in andere kleuren. Ik heb ze gezien en het is
niet helemaal mijn smaak. Ze zijn eeuwen oud en zien er schitterend uit, maar
om de een of andere reden vind ik het kitsch. De kleuren zijn te schreeuwerig.
Ik vind het wat nep of zo. Zeg dat niet tegen de kunstliefhebber, want deze
dingen horen tot de top. Maar doe mij maar een mooie fresco.
Maar goed. Signor
Carlos is half Italiaans half Russisch (zijn moeder komt uit de Kaukasus) en
spreekt Queen’s English met een licht accent. Hij heeft een aantal jaar in
Birmingham gewoond en daar Italiaans aan de universiteit gedoceerd. Erg
geestig, want hij heeft iets van Russische kunst en literatuur gestudeerd. “Ik
sprak overigens geen Russisch, want mijn moeder sprak Frans met mij; daar had
je veel meer aan. Op latere leeftijd ben ik pas Russisch gaan leren.” Maar hij
spreekt dus ook Frans. Of ik ook Frans spreek. Ja wel hoor, een beetje en ook
een beetje Duits. “Ach ja, dat heb ik ook gesproken, maar dat ben ik inmiddels
weer vergeten.” “Lijkt Nederlands op Vlaams? Ik ben namelijk wel een paar keer
in België geweest: in Antwerpen, Brussel, Brugge, Leuven. Alleen in Gent ben ik
nog nooit geweest.” Alle steden spreekt hij Frans uit. “Nee, in NL ben ik nog
nooit geweest, maar ik heb mijn DNA laten checken om mijn wortels na te kunnen
gaan en ik blijk Nederlands bloed te hebben.” “Ik herlees momenteel een boek
van Margerite Yourcenar.” De titel ontgaat me. “Heb je dat ooit gelezen?” Dat
is prachtig. Dat moet je echt lezen. Ja, ik hou van literatuur.” En dat
allemaal in langzaam, keurig Engels. Mijn antwoorden moet ik wat terug
schreeuwen; ik ga er ook ineens keurig van praten, merk ik. Ik vermaak me wel
met deze heer van stand tijdens het eten. Ineens staat hij op, verontschuldigt
zich, en weg is hij. Oh, eh, dag.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten