Zaterdag 3 juli 2010
Vanaf Canterbury: 1182 km
Tot Rome: 901 km
Na het eten van een pizza gisteravond wil ik de voordeur met de sleutel van het slot halen, maar dat lukt niet. De man van de B&B-mevrouw sproeit de tuin. En wat blijkt: de deur zit helemaal niet op slot en kun je zo openmaken. Ach ja. Hij vraagt meteen of ik nog een glas wijn kom drinken. Eigenlijk wilde ik gaan slapen, maar vooruit, eentje dan. En zo zit ik aan een glas rode wijn. Zelf gebrouwen van de druiven uit de eigen wijngaard en in een bierfles bewaard. Hij spreekt drie woorden Frans, maar met een accent zodat ik zeer veel moeite heb het te verstaan. Ik ben ook blij dat er nog een B&B-mevrouw is. Hij kijkt me soms iets te diep in mijn ogen. Nou moet ik zeggen dat de B&B-mevrouw zo lelijk als de nacht is, met een paardengebit waar enkele tanden van ontbreken, en een uilenbril met jampotglazen. Daar kan ze verder natuurlijk ook niet zo veel aan doen. Maar ze is enorm vriendelijk en zij runt de boel; hij is er meer voor het behang volgens mij. Het is me niet helemaal duidelijk of hij al een keer naar Rome heeft gelopen of dat hij dat nog een keer wil doen. Maar vanaf Canterbury lopen, gaat hem wat erg ver. En hoewel hij het wel gezellig vindt en nog bij wil schenken, vind ik het genoeg. En ga nu echt slapen.
‘s Ochtends weer wat weinig brood als ontbijt, maar ditmaal gelukkig ook brood en niet alleen maar een brioche. En natuurlijk een overheerlijk kopje Earl Grey thee.
Hône en Bard lopen eigenlijk in elkaar over, en na twee stappen sta ik dus al in Bard. Op de heuvel ligt een fort. Leuk, maar ook voor de volgende keer om te bezoeken. En van Bard loop ik naar Donnas, onder de Romeinse poort door en over de Romeinse weg. Het is vandaag snikheet. En vochtig. En ik zweet peentjes. Ik heb nu ook voor de eerste keer last van de warmte. Heb ik in de bergen geen pet op gehad; nu heb ik er behoefte aan. Ik houd er niet om iets op mijn hoofd te hebben (ook in de winter niet), maar ik heb het idee dat mijn hoofd smelt. De Buff die ik daarvoor bedacht had is veel te heet. En als ik in Pont Saint Martin kom, zie ik dat een van de marktkraampjes hoofddeksels verkoopt. Nu nog eentje waar ik niet helemaal mee voor gek loop. Nee mevrouw, dus geen babyroze. En ook geen witte. Die is binnen de kortste keren vies. En ook niet zo’n dikke, want dan smelt ik nog steeds. En zo kom ik uit op een groen-blauw, geruit (zeer beschaafd klein ruitje) zonnehoedje. Niet echt charmant, maar ook niet al te debielig. Koop ook nog een stuk kaas en sinaasappels. En ik kan er voor de rest van de dag weer tegen.
In alle rust loop ik naar Borgofranco d'Ivrea. De lucht wordt donkerder, en het begint wat te rommelen. Ik besluit om hier te stoppen en te overnachten. Ik wil niet in het onweer lopen. Het is echter zo stil dat er niemand op straat is aan wie ik de weg kan vragen. En dus loop ik wat rondjes. Tot ik bij een bar kom en daar een man zie zitten. De adressen van de hotels die ik heb, blijken 3 km verderop te liggen in gehuchten die horen bij Borgofranco. Daar begin ik niet aan. Die liggen buiten mijn route; dan moet ik morgen wel heel veel lopen. Hij wil me wel met de auto brengen. Da’s heel aardig, maar toch maar niet. Ik loop wel door naar Ivrea. Dat is nog bijna 8 km, dus hij kijkt me een beetje raar aan. Geen 3 km willen lopen, maar wel 8? Zal wel. Ik vraag hem of er onweer komt. Nee joh, misschien wel hagel. Heb je een paraplu? Grapjas. Nee, uiteraard niet. Het is inmiddels 14.30 uur geweest. Ik heb hier een dik half uur lopen verkloten. Als ik nu heel hard doorloop, moet ik iets over vieren in Ivrea kunnen zijn. Ik heb een cola van de man gekregen en die geeft weer bakken energie. En dus zet ik er flink de pas in. Het weer lijkt ook iets op te knappen. Dat is mooi. Ik loop door het bos en dus lekker in de schaduw. Het gaat uitstekend. Maar dan stijgt de weg weer. Ik kan het hoge tempo niet volhouden. Ik kan niet meer. De hitte kost zoveel energie. Bij elke fontein die ik tegen kom, drink ik eerst water, laat het opgewarmde water uit mijn fles lopen en vul hem met koud water en was het zweet van mijn gezicht af. Ik heb over de Alpen niet zo lopen hijgen als nu. Ik kan gewoon niet tegen hoge luchtvochtigheid. Ik baal inmiddels ook van die stomme bergen. Komt er dan geen eind aan? Balend, mopperend, zwetend en struikelend hoor ik weer muziek. Ik volg de route naar de Capello die San Pietro. Geen idee wat dat voor bijzonders is, maar ik blijk er ineens voor te staan, en daar komt de muziek uit. Een man blijkt daar keyboard te oefenen. Hij is organist van een grote kerk in Ivrea en oefent hier altijd. Hij spreekt Engels en zo kunnen we eenvoudig met elkaar praten. Kom binnen, ga zitten, wil je wat drinken? Ja, heel graag. En zo zit ik ineens aan de Grodino. Ik kom helemaal bij. Hij speelt Pachelbel. En dat heb ik met mijn trio/kwartet ook gespeeld. Hou je van muziek? Ja. En hij speelt speciaal voor mij Bach, en ook Albinoni, My Way (van Sinatra, maar dat oorspronkelijk een Frans lied is en Mireille Mathieu heeft gezongen, vertelt hij), en Feelings. Ik vergeet de tijd. Hoe is het toch elke keer mogelijk dat op momenten dat het zwaar is, dat ik wil dat de dag voorbij is, er een klein wondertje gebeurt, waardoor ik weer nieuwe energie krijg. En heel vaak speelt muziek, een kerk, of ditmaal een kapel, daar een belangrijke rol bij. En dan moet ik toch echt weer gaan. We hebben er allebei van genoten: ik van zijn spel en goede zorgen; hij omdat iemand zijn muziek zeer gewaardeerd heeft.
Ik ben nog zo‘n 2 km vòòr Ivrea, en dan zie ik het kasteel. Ik kom voor de kerk uit, maar heb daarna geen idee waar ik naar toe moet. Er is vrijwel niemand, er is geen kaart of andere informatie. En dus loop ik wat doelloos rond. Wat heb je aan een adres als je geen idee hebt welke kant dat op is. En dan kom ik in de winkelstraat. Toch maar eens vragen waar de VVV is. Ik moet weer helemaal terug. En dan ben ik er eindelijk. Weet je wel dat er in de hele stad geen enkele info is waar de VVV is? Het VVV-meisje weet het en lijkt er ook wat van te balen. Ze is erg vriendelijk en geeft me wat adressen. De goedkope overnachting bij de kanoclub is weer helemaal terug. Dacht het effe niet. Ik blijf niet heen en weer lopen. Daar heb ik geen zin. Er is ook een B&B. Die ligt redelijk op de route en is niet ver. Ze belt even en er is nog plek. Ze willen me wel op komen halen. Dat klinkt heel aanlokkelijk, maar nee. Ik ben geen watje. Ik loop wel. En dus hijs ik mijn rugzak weer op en ga richting B&B. Tuut tuut. Een mevrouw in een auto. Loop je de Via Francigena? Ja. Even denk ik dat zij de B&B-mevrouw is. Maar nee. Ze blijkt de voorzitter, secretaris of iets anders belangrijks te zijn van de Via Francigena club van de regio. Hoe vond je de bewegwijzering? Prima. Waarom slaap je niet bij de kanoclub? Omdat ik niet heen en weer blijf lopen. Ik heb een lijstje met goedkope overnachtingadressen. Wil je dat? Kom je uit Frankrijk? Nee, uit Nederland. Hé, dat is een leuke vraag. Mijn Frans is zo goed dat ze denkt dat ik uit Frankrijk kom. Ben je in Canterbury begonnen? Haar mond valt open en ze valt even stil. Ik stijg in haar achting en krijg tien veren in mijn kont voor deze prestatie. Nou ziet zij er niet echt uit dat ze ook maar een km wandelt, maar dat kan ik natuurlijk verkeerd zien. Bedankt, succes en goede reis verder, Ze stapt weer in haar auto, en een beetje beduusd blijf ik achter. Wat een wervelwind. Ik sjok verder naar mijn B&B, die toch nog best ver is vind ik. Maar dan eindelijk ben ik er. Het is echt prima. Ik ben doodop. Morgen maar een rustdag? Tien minuten lopen verderop is een pizzeria. Maar als ik gedoucht heb en met mijn benen omhoog lig, kan ik geen pap meer zeggen. Ik wil helemaal niet meer tien minuten lopen. En dus schraap ik alle restjes eten die ik nog heb bij elkaar: een broodje met kaas van de lunch, een mueslireep, een appel en een sinaasappel. Ik vind het meer dan genoeg. Ik wil nu slapen.
En dan nog even dit.
- Ineke: opgeven doe ik voorlopig zeker niet!
- Duitsland heeft ook gewonnen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten