Malvizza di Sopra – Celle di San
Vito (20,4 km)
Ze zijn allemaal
echt wel aardig, maar ook retenieuwsgierig. En waarom ze toch steeds zo tegen
elkaar schreeuwen? Zelfs voor Italianen praten ze hard. Dus als ik allang en
breed in bed lig, wordt er uren later nog naast mijn deur geschreeuwd. Als ik
om 2.00 uur nog een keer wakker wordt, is het echt stil. Maar om 6.00 u hoor ik
alweer iemand tegen oma (ze blijkt 85 te zijn) te schreeuwen en hoor ik haar
schuifelen. En als ik om 7.00 uur klaar sta voor het ontbijt is oma de enige
die wakker is. Ze gaat in een stinkhok thee voor me zetten. Er zit een klein
keukentje in en er staat een grote tafel. Verder hangen er wat hamachtige
dingen en kazen. Of dat de reden is dat het zo stinkt weet ik niet.
Om 7.15 uur komt
mevrouw aan zetten. En terwijl ik nog even buiten sta om samen met haar naar
binnen te gaan, ziet ze drie pelgrims. Zij gaat het ontbijt klaar zetten, en ik
besluit toch maar even naar de pelgrims toe te gaan. Om een of andere reden zie
ik wat op tegen de etappe van vandaag en als ik mee kan lopen zou dat wel zo
prettig zijn. Het blijken drie Italiaanse mannen van een jaar of 60 te zijn.
Vorig jaar hebben ze van hun woonplaats Brescia naar Rome gelopen. Dit jaar
lopen ze van Rome naar Santa Maria di Leuca, het eindpunt van de VF del Sud. Ze
ontbijten hier ook maar even. Ze moeten al voor zessen vanmorgen uit Casalbore
vertrokken zijn, anders kunnen ze nooit hier even over zevenen zijn. Is mij
toch iets te vroeg. Een beetje jammer dat ik beschuitdingetjes krijg en zij
brood. Nou ja, met een stuk taart en een paar cantuccini moet het wel lukken.
En zo gaan we met z’n vieren op pad: Claudio, Franco, Bruno en ik. Ze spreken
Longobardisch dialect onderling. En door de Franse woorden un peu, bon en
gauche begrijp ik iets, maar de rest? Niet te verstaan. Gelukkig spreken ze ook
houtje-touwtje Engels en met mijn houtje-touwtje Italiaans komen we een heel
eind. Ze zijn alle drie gepensioneerd en gaan vaak samen op vakantie.
Pelgrimeren, maar ze zijn ook in december naar Oslo geweest. Ze hebben het wel
gezellig samen. Af en toe wordt er wat gezegd, maar ze kwekken gelukkig niet
aan een stuk door. Is zo jammer van de stilte. Waarschijnlijk een voordeel dat
het mannen zijn. En aangezien ik ook over het algemeen mijn mond dichthoud, is
het prima samen vol te houden. Ze hebben ook redelijk hetzelfde tempo. Alleen
de rechte stukken wil ik, zoals altijd, harder.
 |
| Windmolens |
 |
| Le bolle, vulkanische zwavelbron met gebubbel van gas en modder |
 |
| Le bolle |
 |
| Le bolle |
Vanaf dat ik vanmorgen buiten kwam, regent het. Ik ben blij dat ik een suffig regenjasje heb meegenomen, want het varieert van hele lichte motregen tot redelijk doorregenen. En elke keer als ik er over denk mijn regenjas uit te doen, begint het weer opnieuw. Zij hebben alle drie ook nog een paraplu. Ik begrijp niet hoe je daarmee kunt lopen. Vind ik heel onhandig. We stijgen tot zo’n 960 meter. Overal om ons heen zijn windmolens. Helaas is het uitzicht door het slechte weer heel beroerd, want anders zou het prachtig zijn.
 |
| Windmolenpark in de wolken |
Ik laat me leiden
door de mannen. Niet zo handig, want Claudio die het boekje heeft, kijkt er
nauwelijks in, en Franco die de gps bedient kijkt er of te weinig op, of kan
geen kaart lezen. En zo lopen we nogal eens verkeerd. En als er na een masseria
niemand meer uit lijkt te komen, pak ik uiteindelijk ook maar mijn gps erbij en
ben vanaf dan de gids.
Nou draagt de
regen er niet echt toe bij, maar ook als dat wel zo zou zijn, vraag ik me af of
zij van het rusten zijn. We blijven maar doorlopen. En gelukkig heeft mijn
fysieke dip maar drie dagen geduurd en gaat het lopen sinds gisteren prima, en kan
ik het prima volhouden, maar ik krijg honger. Ik deel daarom maar mijn vier
laatst overgebleven gedroogde abrikozen met de anderen. En eet ik er anders
makkelijk zelf vier in een keer op, heb ik er nu maar één.
Als we bijna op
het hoogste punt zijn, pauzeren we dan toch even. We lopen inmiddels vier uur
onafgebroken. Zij delen nu hun droge brood van twee dagen oud met mij. Maar
honger maakt rauwe bonen zoet, dus dat boeit me niet. Het waait er fors en ik
krijg het koud. We gaan weer snel verder.
Door de regen
wordt het pad moeilijk begaanbaar. De stukken klei blijven aan je schoenen
plakken, waardoor die soms een kg zwaarder worden. En je zakt nog wel eens weg
in de klei. Schoner word je er niet op.
 |
| Masseria San Vito, oude halteplaats waar vermoiede paarden vervagen kon worde voor frisse paarden, op bijna 1.000 meter |
 |
| Mijn Italiaanse pelgrimsvrienden |
Als we
uiteindelijk Celle di San Vito recht voor ons zien liggen, en iets rechts
daarvan Troia, besluiten de mannen door te lopen naar Troia. Door op het
kruispunt rechtdoor te gaan, snijden ze een stuk af en lopen Celle di San Vito
voorbij. Voor mij heeft het geen zin om naar Troia te lopen. Ik moet overmorgen
weer naar huis. De etappe na Troia komt ergens uit waar geen OV is en dan kan
ik niet naar Foggia (waarvandaan ik de trein naar Rome neem). Of ik moet een
dag in Troia blijven en me daar zien te vermaken. Zo groot is dat echter ook
weer niet, dus ik besluit om wel naar Celle di San Vito te lopen. En dus
scheiden onze wegen. Ik vond het prettig om met ze te lopen.
 |
| Celle di San Vito |
De weg daalt sterk
en het asfalt is door de regen glad geworden. Voorzichtig aan doen. Ik bel toch
maar even de affitacamere. Gelukkig, er is nog plaats. Ik moet naar de pizzeria
lopen aan de Via Fontanella. Maar als ik door de hoofdstraat Via Roma loop heb
ik geen benul waar de Via Fontanella is. Even op de telefoon opgezocht en
gevonden. De kamer moet nog schoongemaakt worden. En dan word ik er met de auto
naartoe gebracht. Een beetje overdreven, maar goed. Het blijkt een klein
eenkamerappartementje te zijn. Helemaal top.
Alleen de douche is
wat ingewikkeld. Het is een klein douchebakje waarbij het douchegordijn als een
soort waaier zoals een paraplu uit kan. Die baleinen schieten echter steeds
weer terug, zodat óf aan de ene kant óf aan de andere kant van de muur geen douchegordijn
zit. Daarnaast is het douchebakje zo klein, dat op het moment dat je de warme douche
aan zet, het hele douchegordijn door de warmte naar binnen trekt, en er totaal
geen ruimte meer is voor jou. Dat wordt dus met de ene hand het douchegordijn dat
aan je vastplakt van je afhalen, maar ook het gordijn tegen de muur aanhouden, en
met je andere hand je proberen te wassen. En als ik mijn haren was en mijn ogen
dus dicht heb, vraag ik me ineens af waar dat hele douchegordijn gebleven is.
Ik blijk ineens aan de andere kant van het gordijn te staan. En de hele badkamer
is nat. Wat is dit onnozel gemaakt zeg.
Er wordt hier een
dialect gesproken. Zelfs de straatnaamborden zijn tweetalig.
Ik maak nog even
een rondje door het dorpje. Gelukkig is het niet al te groot, want het is stervenskoud
buiten met een harde wind. Ik ga snel weer naar binnen waar de kachel brandt.
 |
| Tweetalige straatnaamborden (Via = Ciarrière) |
 |
| Tweetalige straatnaamborden (Via = Vì) |
 |
| Tweetalige straatnaamborden (Italiaans en Franco-Provençaals) |
 |
| Arco dei Provenzali |
 |
| Mijn appartementje |
 |
| Kerk Santa Catarina |
In de pizzeria
gegeten. Ik ben de enige gast en krijg nu voor de derde dag pasta met
tomatensaus. Het komt wel een beetje mijn neus uit. En omdat het Koningsdag is,
neem ik er wijn bij, want dat moet gevierd worden. Waarschijnlijk de huiswijn,
een beetje zoete rode wijn. Niet helemaal mijn smaak, maar goed. Met een
bistecca en fruit toe ben ik weer voorzien. Van alle gangen maak ik een foto
met mijn rood-wit-blauwe armbandje. We moeten wel zien dat het Koningsdag is.
 |
| De wijn |
 |
| Het brood |
 |
| De peper |
 |
| Het vlees |
 |
| De groente |
 |
| Oranje boven |
 |
| De weg morgen |
Geen opmerkingen:
Een reactie posten